In de 19e eeuw werd een zilveren zakhorloge een gewild sieraad voor de man. Aanvankelijk waren dat grote dikke horloges die met een sleuteltje opgewonden moesten worden. Men droeg ze aan een châtelaine met daaraan de sleutel en signetten, oorspronkelijk stempels waarin men zijn familiewapen of initialen kon laten graveren. Aan het eind van de 19e eeuw werden de horloges platter doordat ze een ander uurwerk kregen. Deze zakhorloges droeg men aan een horlogeketting waarvan het uiteinde aan een knoopsgat bevestigd werd. De ketting hing zichtbaar op de buik, een goede reden om er versieringen op aan te brengen. Deze horlogeketting bestaat uit een serie zilveren koordjes die bij elkaar gehouden worden door doublé schuifjes. Als ornament heeft deze horlogeketting een paardenhoofd, een verwijzing naar het boerenbedrijf van de eigenaar. Dit soort ketting werd tot ca. 1940 gedragen. Daarna kwamen kettingen met een simpeler uitstraling.
